De uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 7 april 2026 is niet eenvoudig als overwinning of nederlaag voor makers te bestempelen. Op papier lijkt het hof een middenweg te kiezen: de plicht om te betalen voor muziek in audiovisuele producties verdwijnt niet, maar geldt ook niet meer automatisch.
De echte impact zit echter niet in die juridische afweging zelf, maar in hoe het in de praktijk gaat werken.
De kern van de uitspraak is het principe dat rechthebbenden (makers en producenten) recht hebben op één vergoeding voor hun bijdrage aan een synchronisatie, het koppelen van muziek aan beeld. Dubbele betaling moet dus worden voorkomen. Is er al een vergoeding betaald of afgesproken toen de muziek met beeld werd gesynchroniseerd, dan is er bij latere uitzending niets extra’s verschuldigd. Bestaat zo’n vergoeding niet, dan kan betaling nog steeds verschuldigd zijn.
Op papier is die redenering te volgen. In de praktijk verschuift het hof het probleem helaas naar elders.
De kernvraag wordt nu wie moet bewijzen of er al is betaald, en die vraag blijft onbeantwoord.
Dat heeft gevolgen. Om te bepalen of er nog een vergoeding verschuldigd is, moeten partijen terug naar de afspraken die zijn gemaakt bij het maken van een audiovisueel werk. In de praktijk is die informatie vaak moeilijk te achterhalen. Contracten zijn niet altijd duidelijk, afspraken kunnen jaren oud zijn en vooral bij internationale producties ligt de informatie vaak verspreid over meerdere partijen.
Gelukkig hebben wij onze klanten en partners altijd geadviseerd om in elke opdracht duidelijke licentieafspraken op te nemen. Zo voorkom je onduidelijkheid over het feit dat openbaarmakings- en uitzendrechten nog steeds apart via Sena moeten worden geregeld.
Het resultaat is een systeem dat op papier werkbaar lijkt, maar in werkelijkheid moeilijk uit te voeren is.
Naar onze mening is in deze uitspraak onvoldoende rekening gehouden met de praktijk van de sector.
Daardoor verschuift de discussie. Het gaat niet meer alleen om de vraag of een vergoeding verschuldigd is, maar om de vraag of kan worden aangetoond dat aan die verplichting al is voldaan. Dat legt meer nadruk op de feitelijke onderbouwing van claims.
Voor makers betekent dit dat een vergoeding minder vanzelfsprekend wordt. Het is daarom essentieel dat synchronisatielicenties precies vastleggen welke rechten en welk gebruik ze dekken. Het recht op vergoeding bestaat nog steeds, maar de toepassing wordt minder uniform en steeds meer afhankelijk van eerdere contractuele afspraken.
De uitspraak is dus niet het einde van de discussie, maar het begin van een nieuwe fase. Het juridische kader is aangescherpt, maar de praktische toepassing blijft onduidelijk. Gezien de vragen die deze uitspraak oproept, lijkt verdere procedure bij een hogere rechter onvermijdelijk. Tijdens de recente ledenvergadering van Sena werd aangekondigd dat er inderdaad cassatie wordt ingesteld bij de Hoge Raad.
Procedures bij de Hoge Raad kunnen vaak jaren duren. We hopen dat de sector tot een eerlijke tussenoplossing kan komen, een die recht doet aan alle makers, ook die in muziek voor media, en aan hun producenten.
Wordt vervolgd.